BLOGG 24 (Bezonnen Lezingen Over Gender & Gezondheid)

De invloed van geslacht op het vóórkomen van luchtwegklachten en het handelen van een huisarts.

Luchtwegklachten staan in deze tijd van Corona volop in de schijnwerpers. Eerder schreef Aranka al een BLOGG over man/vrouw verschillen in de gevolgen van Corona. Deze BLOGG gaat niet over Corona, maar wel over de mogelijke invloed van geslacht op het voorkomen van luchtwegklachten in de Nederlandse huisartspraktijk en het handelen van huisartsen. Voordat ik verder schrijf zal ik mijzelf kort voorstellen. Ik ben Anne Groeneveld en heb samen met Tim, Aranka en Annemarie Uijen (collega van Tim) onderzoek gedaan in het kader van mijn wetenschappelijke stage van de studie Geneeskunde. Inmiddels ben ik nu een jaar afgestudeerd en werk ik als arts in een verpleeghuis. Ons onderzoek is inmiddels gepubliceerd in Family Practice. Omdat ons onderzoek veel raakvlakken heeft met de Gender&Gezondheid onderzoeksgroep, neem ik jullie middels deze BLOGG graag mee door de resultaten.

Het voorkomen van luchtwegklachten

Het eerste deel van ons onderzoek was gericht op hoe vaak luchtwegklachten voorkomen bij mannen en vrouwen. We keken naar een periode van vijf jaar. Luchtwegklachten zijn klachten zoals hoesten, verkoudheid, benauwdheid en keelpijn. We zagen dat vrouwen gemiddeld vaker de huisarts bezochten met een luchtwegklacht dan mannen. Ook keken we naar de leeftijd van de mannen en de vrouwen met klachten. Een opvallende bevinding was dat mannen in leeftijdsgroepen tot 14 jaar vaker bij de huisarts komen met luchtweg symptomen dan vrouwen. Deze verdeling draaide om in de jaren na de puberteit: vanaf een leeftijd van 14 jaar kwamen de klachten vaker bij vrouwen dan bij mannen voor. Deze bevindingen sluiten aan bij eerder onderzoek naar de epidemiologie van luchtwegklachten in de huisartspraktijk. Een eerste mogelijke verklaring hiervoor is dat meisjes bij de geboorte meer surfactant aanmaken, een stofje dat belangrijk is voor het proces van zuurstofuitwisseling in de longblaasjes. Ook groeien de luchtwegen in meisjes sneller dan die van jongetjes. Ten tweede is uit onderzoek gebleken dat de diameter van de luchtwegen relatief smaller is bij jongetjes tot de kleuterleeftijd dan bij meisjes. Deze factoren kunnen mede verklaren waarom jongetjes in deze lagere leeftijdsgroep sneller luchtwegklachten  ontwikkelen dan hun vrouwelijke leeftijdsgenoten. In de puberteit zijn juist meisjes meer vatbaar voor dit soort klachten, onder andere ten gevolge van hormonale veranderingen.

Het handelen van huisartsen en de mogelijke invloed van het geslacht van de patiënt

In het tweede deel van ons onderzoek wilden wij onderzoeken of huisartsen andere acties uitvoeren bij hun mannelijke en hun vrouwelijke patiënten, die met precies dezelfde klacht op het spreekuur komen. Daarvoor keken we naar het handelen van de huisarts en het effect van het geslacht van de patiënt hierop. Als iemand bij de dokter komt met bijvoorbeeld de klacht ‘ik heb het benauwd’, dan kan de dokter verschillende dingen doen: bijvoorbeeld lichamelijk onderzoek zoals het beluisteren van de longen of het hart, het voorschrijven van medicijnen zoals een antibioticakuur, het laten maken van een longfoto in het ziekenhuis, of zelfs iemand doorsturen naar bijvoorbeeld de longarts. Al deze mogelijke opties noemden wij ‘interventies’. Je kunt je voorstellen dat er veel factoren de interventies van een dokter beïnvloeden. Als iemand al een paar keer eerder bij de huisarts is geweest met hoesten, dan gaat de arts anders te werk dan als een patiënt die klacht voor het eerst ervaart. De voorgeschiedenis van iemand is dus belangrijk om mee te nemen in het onderzoek. Andere mogelijke factoren die het proces van de interventies beïnvloeden zijn roken, de leeftijd van de patiënt, de ernst van de klacht op het moment dat iemand bij de dokter komt en natuurlijk het individuele gedrag van zowel arts als patiënt.

Wat bleek? Er waren significante verschillen in het aantal acties dat werd uitgevoerd door huisartsen bij hun mannelijke en vrouwelijke patiënten die met dezelfde klacht komen. Wanneer een patiënt  met de klacht ‘hoesten’ kwam, dan was de kans dat een huisarts lichamelijk onderzoek deed of een diagnostisch onderzoek aanvroeg groter als de patiënt een man was, dan wanneer de patiënt een vrouw was. Mannen kregen daarentegen minder vaak medicatie tegen hoesten voorgeschreven dan vrouwen. Bij de klacht ‘benauwdheid’ zagen we dat huisartsen bij mannelijke patiënten vaker beeldvormende diagnostiek lieten doen en dat mannen vaker naar een specialist werden verwezen dan vrouwen. Voor de andere luchtwegklachten, zoals keelpijn, zagen we geen significante verschillen tussen mannelijke en vrouwelijke patiënten in het aantal uitgevoerde interventies.

Tot slot zagen we dat vrouwen met luchtwegklachten vaker een ‘vagere’ diagnose kregen aan het eind van hun consult of periode van klachten, zoals ‘benauwdheid’. Bij mannen werd vaker een concrete diagnose zoals ‘longontsteking’ gesteld.

Mogelijke verklaringen voor onze resultaten

Hoe kan het dat er bij mannen significant meer acties worden uitgevoerd dan bij vrouwen, terwijl ze met dezelfde klacht bij de huisarts komen? Hiervoor zijn meerdere mogelijke verklaringen. Denk bijvoorbeeld aan de klachtpresentatie, die tussen man en vrouw flink kan verschillen. En ook de ernst van de symptomen op het moment van huisartsbezoek heeft invloed op het handelen van de arts. Daarnaast zijn bepaalde opvattingen en wensen van de patiënt relevant, maar ook die van de huisarts zelf. Hier wordt duidelijk dat ‘gender’ ook een belangrijke factor is. Daarmee sla ik de brug naar de onderzoeken die in de Gender&Gezondheid groep worden gedaan, en specifiek naar de recent besproken genderschaal. In de toekomst kan deze genderschaal hopelijk ingezet worden in vergelijkbaar onderzoek, om de verschillen tussen mannen en vrouwen in de gezondheidszorg nog beter in kaart te brengen, en zo nodig te verbeteren.

Bedankt voor het lezen en wie weet tot horens!     

Anne Groeneveld